Het bevorderen van fysieke activiteit in de werkomgeving

Beweeg jij voldoende? Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie zou je wekelijks ten minste 150 minuten moeten bewegen.1 Echter, één op de vier volwassenen voldoet niet aan deze aanbeveling.2 En zelfs als je voldoende beweegt, kan de tijd die je zittend doorbrengt negatieve gezondheidseffecten hebben.3 Vooral kantoormedewerkers bewegen te weinig4 en zitten te veel.5

Het is daarom belangrijk dat je de tijd die je zittend doorbrengt voldoende afwisselt met beweging.3 Het zitten kort onderbreken – door een lichte vorm van beweging, zoals staan – levert al gezondheidsvoordelen op.6

Je kan er ook voor kiezen om op één langer moment op de dag actief te zijn maar de meeste mensen vinden het makkelijker om op meerdere korte momenten gedurende de dag actief te zijn.7 Dit laatste wordt incidentele fysieke activiteit genoemd,7 denk daarbij aan activiteiten waarbij je niet zweet of kortademig wordt, zoals staan en (trap-)lopen.8 Wist je dat beide vormen vergelijkbare gezondheidsvoordelen opleveren?7

Integreer incidentele fysieke activiteit in het dagelijkse leven!2

Vooral de werkomgeving biedt kansen om de dagelijkse fysieke activiteit te verhogen2 omdat mensen hier veel tijd doorbrengen.9 Integratie van incidentele fysieke activiteit in de werkomgeving draagt bij aan een blijvende verandering, waarbij meer bewogen en minder gezeten wordt. Het is daarbij van belang om het op een laagdrempelige en natuurlijke manier te integreren door dit – onopvallend – zowel in het ontwerp als de organisatie op te nemen.

Verhoog de incidentele fysieke activiteit door de indeling van het kantoor aan te passen

Het ontwerp van de kantooromgeving heeft invloed op de hoeveelheid incidentele fysieke activiteit van medewerkers. In het onderzoek “Fysieke Activiteit in de Werkomgeving” – uitgevoerd door Jetske de Graaf onder begeleiding van Pity Jongens vanuit Aestate en Monique Arkesteijn en Alexander Koutamanis vanuit de TU Delft – staat de inrichting in relatie tot incidentele fysieke activiteit (trap-)lopen centraal. Het gaat dan specifiek over de indeling van ruimtes, waarmee de locaties van en afstanden tussen werkplekken en faciliteiten wordt bedoeld.

Hou daarbij ook rekening met de sociale omgeving en andere ruimtelijke factoren Vaak wordt de ruimtelijke omgeving geïsoleerd van de sociale omgeving. Maar veel van de sociale factoren zijn onderling verbonden met de ruimtelijke omgeving van het kantoor. Dit onderzoek richt zich daarom niet alleen op de indeling van ruimtes maar ook op andere ruimtelijke, sociale en persoonlijke factoren die het (trap-)lopen van medewerkers beïnvloeden in de kantooromgeving. Zoals bijvoorbeeld de activiteiten die medewerkers uitvoeren.

Inzicht in de fysieke activiteit van medewerkers Het onderzoek resulteerde in een methode die de fysieke activiteit in de werkomgeving – zowel op kantoor als thuis – inzichtelijk maakt. Medewerkers van Aestate en draaijer+partners, beide partners van Smart Workplace, namen deel aan het onderzoek. Het aantal gelopen minuten in de werkomgeving van deze medewerkers is niet alleen objectief gemeten met activiteitstrackers maar ook subjectief in een enquête. De medewerkers droegen vijf opeenvolgende werkdagen een activiteitstracker en hielden het bewegen en de redenen van beweging bij in een logboek.

Objectiveren van de indeling van kantoren De indeling van drie kantoren is objectief gemeten door middel van een ruimtelijke grafiek. Deze methode is ontwikkeld op basis van de theorie van Koutamanis10. De cirkels representeren locaties binnen de kantooromgeving en de lijnen representeren de route tussen deze locaties. Op basis van deze grafiek, kunnen de afstanden, het aantal lijnen, tussen alle locaties worden gemeten. Met deze informatie kan de centraliteit van iedere locatie worden berekend en het centrum en de periferie van het kantoor worden bepaald.

Hoe wordt fysieke activiteit van medewerkers beïnvloed door de indeling van ruimtes? De afstanden binnen alle drie bestudeerde kantoren zijn zo klein dat dit weinig tot geen invloed heeft op de werkplekkeuze en het aantal bewegingen van de deelnemende medewerkers. De werkplekkeuze wordt grotendeels beïnvloed door andere factoren dan de indeling van het kantoor. Factoren, die vooral van invloed zijn op werkplekkeuze, zijn bijvoorbeeld voldoende (dag)licht, contact met collega’s en werken in stilte. Deze factoren hebben daarmee indirect invloed op de fysieke activiteit van de medewerkers. De locatie van de meest gewenste werkplek t.o.v. andere kantoorlocaties zoals vergaderruimten of koffiepunten bepaalt dan hoeveel er wordt gelopen, er vanuit gaande dat het aantal bewegingen gelijk blijft ongeacht de afstand. Dus de ruimtelijke en sociale omgeving bepalen samen de hoeveelheid beweging binnen de kantooromgeving.

Op basis van de gemeten fysieke activiteit in de drie bestudeerde kantoren, kan het volgende worden geconcludeerd:

  • Hoe groter de maximale afstand tussen kantoorbestemmingen, hoe meer er wordt gelopen.
  • Hoe meer werkplekken in de periferie, hoe meer er wordt gelopen.

Wat kun je doen aan de indeling van ruimtes om medewerkers meer te laten bewegen? In kantoren waar de maximum afstand tussen kantoorbestemmingen relatief klein is:

  • Maximaliseer de afstand tussen werkplekken en belangrijke kantoorbestemmingen. Dit kan o.a. door het plaatsen van werkplekken verder van de ingang en door groepen van werkplekken op afstand te plaatsen van de belangrijkste kantoorbestemmingen, zoals vergaderruimten, toiletten en pantry’s;
  • Maak de minst centrale werkplekken het aantrekkelijkst.

Dit betekent dat het centrum van het kantoor geen drukke maar juist een rustige zone dient te zijn. Denk bijvoorbeeld aan een atrium in het midden – wat ook klimaat technisch gunstig is. Bij een nieuw ontwerp kun je er natuurlijk beter rekening mee houden.

Geldt dit ook voor andere type organisaties en kantoren? Andere groepen medewerkers verrichten andere activiteiten en hebben een andere cultuur. De werkplekkeuze en redenen van beweging kunnen daarom verschillen. Dit kan zowel tot minder als meer bewegen leiden binnen eenzelfde type kantoor. Om fysieke activiteit te stimuleren moet de sociale en ruimtelijke omgeving op elkaar afgestemd zijn. Ook leidt een groter kantoor niet altijd tot meer fysieke activiteit. Wanneer een afstand tussen de werkplek en de kantoorbestemming (te) groot is, kan dit het aantal bewegingen naar deze bestemming negatief beïnvloeden en daarmee de totale fysieke activiteit. Nader onderzoek met de ontwikkelde methode moet uitwijzen of de bevindingen binnen Aestate en draaijer+partners ook van toepassing zijn op andere type organisaties en kantooromgevingen.

Wil je meer weten over het onderzoek? Neem dan contact op met Jetske de Graaf, +31 6 20 21 90 97, jdegraaf@aestate.nl.


Over de auteur

Jetske de Graaf studeert begin juli af op het onderwerp Fysieke Activiteit in de Werkomgeving aan de TU Delft. Dit is onderdeel van de Master Architecture, Urbanism and Building Sciences, track Management in the Built Environment, aan de Faculteit Bouwkunde. Aestate /ontrafelexperts is als afstudeerbedrijf betrokken bij haar afstudeeronderzoek. Momenteel werkt zij als trainee bij Aestate /ontrafelexperts.

Noten

  1. World Health Organization (2010). Global recommendations on physical activity for health. Geneva: World Health Organization. https://www.who.int/publications/i/item/9789241599979
  2. World Health Organization (2018). Global action plan on physical activity 2018-2030: more active people for a healthier world. Geneva: World Health Organization. https://www.who.int/health-topics/physical-activity#tab=tab_1
  3. U.S. Department of Health and Human Services (2018). Physical Activity Guidelines for Americans, 2nd edition. Washington, DC: U.S. Department of Health and Human Services. https://www.cdc.gov/physicalactivity/basics/adults/index.htm
  4. Fisher, A., Ucci, M., Smith, L., Sawyer, A., Spinney, R., Konstantatou, M., & Marmot, A. (2018). Associations between the objectively measured office environment and workplace step count and sitting time: Cross-sectional analyses from the active buildings study. International Journal of Environmental Research and Public Health, 15(6). https://doi.org/10.3390/ijerph15061135
  5. Duncan, M. J., Short, C., Rashid, M., Cutumisu, N., Vandelanotte, C., & Plotnikoff, R. C. (2015). Identifying correlates of breaks in occupational sitting: A cross-sectional study. Building Research and Information, 43(5), 646–658. https://doi.org/10.1080/09613218.2015.1045712
  6. WHO (2021). #HealthyAtHome – Physical activity. Retrieved April 2, 2021, from https://www.who.int/news-room/campaigns/connecting-the-world-to-combat-coronavirus/healthyathome/healthyathome---physical-activity
  7. Queensland Government (2008). What is Incidental Activity? Retrieved from https://www.health.qld.gov.au/__data/assets/pdf_file/0029/367553/pa_incidental.pdf
  8. World Health Organisation (2020). WHO Guidelines on physical activity and sedentary behaviour for children and adolescents, adults and older adults: Draft 26 March 2020 for consultation only. Retrieved from https://www.who.int/news-room/articles-detail/public-consultation-on-the-draft-who-guidelines-on-physical-activity-and-sedentary-behaviour-for-children-and-adolescents-adults-and-older-adults-2020
  9. Engelen, L., Dhillon, H. M., Chau, J. Y., Hespe, D., & Bauman, A. E. (2016). Do active design buildings change health behaviour and workplace perceptions? Occupational Medicine, 66(5), 408–411. https://doi.org/10.1093/occmed/kqv213
  10. Koutamanis, A. (2019). Building Information – Representation and Management: Fundamentals and Principles. TU Delft OPEN. https://doi.org/10.5074/t.2019.003